Jaarboek Actieve Cultuurparticipatie 2012: de waarde van kunsteducatie & onderzoek talentontwikkeling

Bron: Jaarboek Actieve Cultuurparticipatie 2012, Fonds voor Cultuurparticipatie

In dit bericht citaten uit twee hoofdstukken van dit lezenswaardige rapport. Ten eerste een citaat uit het hoofdstuk ‘De waarde van kunsteducatie. Beweringen en bewijzen’ (Ellen Winner, Stéphan Vincent-Lancrin). Aan het eind van dit bericht vind je de tips voor nader onderzoek naar talentontwikkeling, uit het hoofdstuk ‘Wat we (nog niet) weten van talentontwikkeling’ van Peter Hermans.

Pagina 113/114:

“Van muziekonderwijs is aangetoond dat het een positieve invloed heeft op het IQ, op de leerprestaties, op woordanalyse en op fonologische vaardigheden. Ook is er voorlopig bewijs dat muziekonderwijs het leren van vreemde talen kan vergemakkelijken.

Er zijn minstens twee mechanismen in het spel die deze resultaten kunnen verklaren. Muziek verbetert de auditieve vaardigheden en dat komt taalkundige vaardigheden (inclusief lezen, schrijven en het leren van vreemde talen) ten goede. Muziekonderwijs kan ook het IQ en de leerprestaties bevorderen, omdat muziekonderwijs een schoolse activiteit is waarbij vaardigheden als concentratie en het beheersen van symboolsystemen worden getraind. Daarnaast kunnen zeer plichtsgetrouwe leerlingen zich misschien aangetrokken voelen tot muziekonderwijs en dat ook volhouden. Muziekonderwijs kan deze gedragsvaardigheid versterken, wat weer kan leiden tot betere leerprestaties.

Er is weliswaar een aantal onderzoeken die een positief effect tonen van muziek- onderwijs op het beeldend-ruimtelijk inzicht, maar in het enige longitudinale onderzoek op dit gebied zijn na drie jaar muziekonderwijs geen blijvende effecten waargenomen. Wat bewijst dat voorzichtigheid geboden is. Er is evenmin enig bewijs dat muzieklessen een causaal effect hebben op rekenprestaties, ook al voelen sommige mensen met wiskundige aanleg zich wellicht aangetrokken tot muziek.”

Pagina 117/118:

“We kunnen concluderen dat bepaalde vormen van kunsteducatie inderdaad invloed hebben op de ontwikkeling van zeer specifieke vaardigheden. Het beschikbare em- pirisch onderzoek beslaat echter niet alle vaardigheden die onze interesse hebben – verre van dat. Leerprocessen bij bepaalde kunstvakken kunnen vaardigheden opleveren die ook van nut zijn voor andere activiteiten. Muziekles is onder meer auditieve training, wat weer een effect kan hebben op taalvaardigheid; drama heeft te maken met karakteranalyse, wat het inlevingsvermogen bevordert; met goed leren kijken naar een schilderij wordt de waarneming getraind, en dat kan ook van pas komen bij het verwerken en interpreteren van andere visuele informatie.

Er is nog geen afdoend bewijs voor het effect van kunsteducatie op creativiteit en kritisch denkvermogen of op gedrag en sociale vaardigheden. Dat komt deels door het gebrek aan experimenteel onderzoek op dat gebied en deels doordat deze vaardigheden lastig te meten zijn.”

In het laatste hoofdstuk van het rapport gaat Peter Hermans in op de vraag wat we (nog niet) weten over talentontwikkeling.

Pagina 129:

“Onderzoek naar artistieke talentontwikkeling in Nederland betreft vrijwel uitsluitend de inrichting en organisatie van projecten en initiatieven voor talentontwikkeling. In de bonte stoet projecten en trajecten valt weinig samenhang te ontdekken, zowel in organisatie als in visie op talentontwikkeling. De meeste initiatieven hebben bovendien nauwelijks concrete, meetbare doelstellingen.”

Ter afsluiting van zijn betoog geeft Peter Hermans zeven suggesties voor nader onderzoek.

Pagina 141/142:

“1. Hoe gaat doelgericht oefenen (‘deliberate practice’) nu precies in zijn werk?
Hoe kun je dit leren en hoe kan een tutor of coach dit begeleiden? In het omvangrijke onderzoek van Ericsson staan hierbij vooral technisch-motorische vaardigheden centraal, met accuratesse als doorslaggevend criterium. Op grond daarvan consta- teert Ericsson dat het belang van instructie toeneemt naarmate de ontwikkeling van een talent vordert. Dit behoeft nadere bestudering. Wat betekent dit voor talentont- wikkeling in de kunsten, waar accuratesse soms helemaal niet aan de orde is?

2. Hoe draagt de omgeving bij aan het overdragen en verwerven van de waarden
en waardepatronen van actieve kunstbeoefening?
Ofwel, hoe gaat het ontwikkelen van een dispositie waarin concentratie, motivatie en voldoening samengaan, precies in zijn werk en welke rol speelt de omgeving daarbij?

3. Wat kunnen we leren van de sport?
Een belangrijk verschil tussen sport en kunst is dat bij sport, en zeker bij topsport, duidelijk is wie de beste is en wat er voor nodig is om bij de top te komen. Bijna alle sportbonden beschikken over digitale talentvolgsystemen die ook door clubs en talentbegeleiders worden gebruikt en kunnen worden geraadpleegd. Onderzoek naar artistieke talentontwikkeling is gebaat bij de ontwikkeling van een volgsysteem dat toegespitst is op de ontwikkeling van artistiek talent. Daarnaast is het zaak om, net zoals in de sport, heldere standaarden te formuleren voor kunsteducatie, kunstonderwijs en kunsten.

4. Wat zijn bedreigingen voor succesvolle talentontwikkeling?
Artistieke talentontwikkeling is sterk individueel gericht. Onderzoek ernaar staat onvermijdelijk in het teken van predictie, van ontwikkelingspotentieel en ontwik- kelingskansen. Maar het belangrijkste knelpunt voor alle talentontwikkeling is dat succes nooit is gegarandeerd. Anders gezegd: variabelen die succes voorspellen, zijn er niet. Onderzoekers kunnen zich daarom misschien beter concentreren op de bedreigingen voor een succesvolle talentontwikkeling, vergelijkbaar met de life risk-analyses die levensverzekeraars erop nahouden.

5. Hoe komen we tot heldere beoordelings- en toelatingsprocedures voor het kunstvakonderwijs?
De mogelijkheid om je talent via het kunstonderwijs om te zetten in een artistieke loopbaan was er al niet voor iedereen en dat zal in de toekomst, met een krimpende arbeidsmarkt voor kunstenaars, steeds minder worden. Daarmee komt er een steeds grotere druk te staan op toelating tot kunstvakopleidingen en op de beoordeling van de ‘ontwikkelbaarheid’ van talenten. In de kunsteducatie, het kunstonderwijs en de kunsten zelf bestaan standaarden, maar de bottom-line is dat die standaarden nauwelijks worden geëxpliciteerd, ook omdat er nauwelijks onderzoek naar gedaan is. De kwaliteit van het kunstonderwijs, als top van de talentpiramide, is gebaat bij meer zicht op de sterke en zwakke kanten van procedures bij toelating en afstuderen.

6. Hoe krijgen we beter zicht op talentontwikkeling in onderscheiden
kunstdisciplines?
Van talentontwikkeling in ‘de kunsten’ kan geen sprake zijn, daarvoor zijn de verschillen in ontwikkeling in de diverse disciplines te groot. Zo zijn in de podiumkunsten ambachtelijkheid en techniek, repeteren en repertoire en fysieke ontwikkeling veel belangrijker dan in de beeldende kunsten. Bij een aantal nieuwe kunstvormen (digitale media) is nog nauwelijks nagedacht over de vraag welk mo- del van artistieke ontwikkeling daarbij past. Er is nader onderzoek gewenst naar de specifieke eisen en voorwaarden per discipline. Het beschikbare onderzoek is bijna uitsluitend gericht op muzikale ontwikkeling. Dit moet uitgebreid worden naar andere kunstdisciplines.

7. Wat is de effectiviteit van het huidige beleid voor artistieke talentontwikkeling?
De onderzoeken die Bureau ART in het kader van de peiling van culturele talen- tontwikkeling uitvoert, bieden een voorzichtige aanzet voor een bredere onder- zoeksagenda op dit punt. In de peiling worden bij twintig projecten drie keer gegevens van een kleine driehonderd jongeren verzameld over een periode van anderhalf jaar. De resultaten, die we zonder verantwoording voor de representativiteit van de steekproef vooralsnog voorzichtig moeten duiden, bevestigen resultaten uit eerder onderzoek, maar geven ook voldoende aanleiding om de effectiviteit van de huidige programma’s voor talentontwikkeling nog nauwkeuriger in kaart te brengen. Het zal niemand verbazen dat aanzienlijk meer jongens dan meisje deelnemen aan talentontwikkeltrajecten voor popmuziek. Maar dat het vooral hoogopgeleide kinderen van hoogopgeleide ouders lijken te zijn die deelnemen aan de projecten die in het onderzoek zijn opgenomen, is verrassend. Eén ding is duidelijk: er zal aanvullend en meer divers onderzoek nodig zijn om onderbouwde uitspraken te doen over de effectiviteit van het huidige beleid voor artistieke talentontwikkeling.”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s